Tagarchief: oorlog

Oorlogsoep

(Ingezonden brief)
De laatste winter van de oorlog heerste er echte honger in onze stad.
Het enige wat de mensen nog een beetje op de been hield was de gaarkeuken in de Elizabeth Wolffstraat. Daar werd tegen inlevering van een distributiebonnetje aan ons gezin van drie personen een paar keer per week een litertje waterige soep uitgedeeld.
De gaarkeuken was gehuisvest in een oude school, de muffe geur van schoolboeken kwam nog steeds boven de weee soeplucht uit.
Ik was toen ongeveer tien en op die soepdagen moest ik van mijn moeder snel uit school naar ons huis in de Bilderdijkstraat komen, mijn rolschaatsen met versleten ijzeren wieltjes aanbinden en in een pannetje die ene liter soep gaan halen. De soep had altijd dezelfde smaak en grijze kleur, elke keer dreven er kleine stukjes bloembol bovenop.
Snel schaatste ik dan op de stille asfaltstraten met mijn pannetje aan mijn broekriem naar de Elizabeth Wolffstraat. Bij de lege tramremise op het Bellamyplein zag ik al in de verte de lange rij magere wachtenden voor de school staan. Gelachen werd er nooit. In het gebouw werd mijn pannetje door een bleke man met een liter soep gevuld en snel schaatste ik dan weer naar huis om de soep vooral niet koud te laten worden.
Mijn moeder had dan al de keukentafel gedekt, om diezelfde tijd kwam mijn vader van zijn werk en gingen wij aan tafel, aan de soep.
Wij waren met z’n drieen, maar op soepdagen zette mijn moeder altijd een vierde bord op tafel. Dat bord was bestemd voor Ome Jan die op een hoog achter woonde. Hij was al oud en hulpbehoevend en leed meer honger als wij. Tegen Kerstmis slachtte hij altijd een aantal konijnen waarvan boze burentongen beweerden dat het katten waren. De geslachte magere kadavertjes hing hij dan naast elkaar op aan een lijntje boven de gootsteen, de huidjes spalkte hij met kleine spijkertjes op houten planken, waar hij later dan weer winterhandschoenen van maakte. De handschoenen ruilde hij dan later om voor brood.
Als mijn vader mijn moeder soms te kennen gaf dat wij niets konden weggeven, dat wij zelf honger hadden en de winter moesten zien door te komen, keek mijn moeder hem streng aan en zei dat je een ouwe man niet zomaar kon laten stikken. Mijn vader knikte dan beschaamd en gaf daarna snel een deel van zijn soep aan Ome Jan.
Tijdens dat soepeten zei Ome Jan niets, als alles op was zei hij alleen ‘het was heerlijk’ en verdween dan weer naar zijn eenhoog-achterwoning met uitzicht op armoedige tuinen.
‘Oorlogsoep’ noemden wij deze bloembollensoep, de lucht ervan raak ik nooit meer kwijt.
Ome Jan noemde de soep ‘mijnmiensoep’ omdat mijn moeder Mien heette. Op een soepdag kwam hij niet naar boven. Mijn moeder ging kijken en zij was het die hem het laatst in haar armen heeft gehouden, hij is toch nog van honger doodgegaan.

Gerrit, Augustus 2007.

Advertenties